Distributie van zonsverduisteringen: waarom sommige plaatsen meer totaliteit zien dan andere

18

De timing van zonsverduisteringen is een kwestie van hemelmechanica en orbitale cycli. Op sommige plaatsen op aarde zijn totale zonsverduisteringen met een relatieve frequentie te zien, terwijl op andere plekken eeuwen, zelfs millennia, geen zonsverduisteringen kunnen voorkomen. Dit is niet willekeurig; het is een gevolg van hoe de aarde, de maan en de zon gedurende lange perioden op één lijn staan.

De ongelijkmatige verdeling van de duisternis

Jeruzalem heeft bijvoorbeeld in 1153 voor het laatst een totale zonsverduistering meegemaakt en zal pas in 2241 weer een totale zonsverduistering meemaken – een tijdsbestek van meer dan 1100 jaar. Ondertussen hebben de gebieden in Illinois, Missouri en Kentucky in iets minder dan zeven jaar twee totalen gekend. Deze ongelijkheid komt voort uit complexe baanpatronen die bepalen waar de schaduw van de maan op de aarde valt. De vraag is niet alleen hoe vaak eclipsen voorkomen, maar waar ze voorkomen.

Een lange geschiedenis van berekeningen

Op basis van een leerboek uit 1926 werd ooit aangenomen dat het gemiddelde interval tussen totale zonsverduisteringen op een bepaalde locatie 360 jaar was. De Belgische astronoom Jean Meeus verfijnde dit cijfer echter in 1982 tot 375 jaar met behulp van vroege computerberekeningen. Recente onderzoeken, waarbij gebruik is gemaakt van moderne rekenkracht, hebben dit bereik bevestigd, waarbij de laatste schattingen rond de 373 jaar schommelen. Deze berekeningen zijn niet alleen academisch; ze helpen toekomstige eclipspaden te voorspellen en hemelse trends op de lange termijn te begrijpen.

NASA’s 5000-jarige hittekaart

NASA’s Scientific Visualization Studio creëerde een heatmap die 5000 jaar beslaat (2000 v.Chr. tot 3000 n.Chr.) en die de paden van de totale zonsverduisteringen laat zien. De kaart laat zien dat elke locatie op aarde in deze periode minstens één totale zonsverduistering heeft meegemaakt, waarbij de meeste locaties tussen de 1 en 35 zien. Dit bevestigt dat verduisteringen niet exclusief zijn voor specifieke regio’s; ze zijn een mondiaal fenomeen, ook al zijn ze ongelijk verdeeld in de tijd.

Het breedtegraadeffect en de orbitale cycli

Recent onderzoek benadrukt het ‘breedtegraadeffect’, waarbij zonsverduisteringen vaker voorkomen in de buurt van de poolcirkels en de zuidpoolcirkels, vanwege de lage horizon van de zon tijdens bepaalde seizoenen. Ook de enigszins elliptische baan van de aarde speelt een rol: totale verduisteringen komen in de zomer vaker voor op het noordelijk halfrond, omdat de aarde dan het verst van de zon verwijderd is (aphelium), waardoor de zon kleiner aan de hemel lijkt.

Dit voordeel verschuift echter over een cyclus van 21.000 jaar. Over ongeveer 4500 jaar zal het aphelium samenvallen met de equinoxen, waardoor deze hemisferische bias wordt geneutraliseerd. Nog eens 5000 jaar daarna zal het zuidelijk halfrond de overhand krijgen. Deze langetermijncyclus verklaart waarom de eclipsintervallen op menselijke tijdschalen sterk variëren.

Ringvormige verduisteringen: een vaker voorkomend fenomeen

Ringvormige zonsverduisteringen, waarbij de maan te ver weg is om de zon volledig te bedekken, komen vaker voor: ongeveer eens in de 224 tot 226 jaar op een bepaalde locatie. Dit komt omdat de zon over het algemeen groter is dan de maan, gezien vanaf de aarde.

Kortom, de verdeling van zonsverduisteringen is niet willekeurig, maar wordt bepaald door orbitale mechanica en langetermijncycli. Terwijl sommige plaatsen eeuwenlange wachttijden doorstaan, genieten andere van een regelmatige totaliteit. Het begrijpen van deze patronen vereist gedetailleerde berekeningen en een langetermijnperspectief op hemelse gebeurtenissen.