DNA uit de lucht onthult dat poolmossen zich snel aanpassen aan de opwarming van het klimaat

9

Nieuw onderzoek suggereert dat de ‘biologische klokken’ van Arctische planten steeds sneller gaan. Door tientallen jaren aan omgevings-DNA (eDNA) uit de lucht te analyseren, hebben wetenschappers ontdekt dat bryofyten – een groep niet-vasculaire planten waaronder mossen – hun voortplantingscycli aanzienlijk eerder verschuiven als reactie op stijgende temperaturen.

De kracht van DNA in de lucht

Traditioneel vereist het volgen van de seizoensbewegingen van planten directe observatie of monsterneming op de grond, wat arbeidsintensief en beperkt van omvang kan zijn. Onderzoekers maken nu echter gebruik van een efficiëntere methode: environmental DNA (eDNA).

Omdat de meeste bryofyten afhankelijk zijn van de wind om hun sporen te verspreiden, komen deze microscopisch kleine deeltjes in de lucht terecht, net als stuifmeel van bomen. Door luchtfilters te analyseren kunnen wetenschappers op elk moment de genetische handtekeningen ‘lezen’ van de planten die in de atmosfeer aanwezig zijn. Hierdoor kunnen ze een tijdlijn met hoge resolutie reconstrueren van wanneer verschillende soorten zich actief voortplanten.

Decennia aan data: een Zweedse tijdcapsule

Bij het onderzoek werd gebruik gemaakt van een unieke dataset van het project Swedish Biodiversity in Time and Space. Onderzoekers analyseerden 380 luchtfiltermonsters verzameld in een meetstation in Kiruna, Noord-Zweden, tussen 1974 en 2008.

Door het DNA in deze filters te sequencen, kon het team 16 verschillende soorten bryofyten identificeren. Deze lange termijn dataset bood een zeldzame kans om te observeren hoe deze organismen gedurende meer dan drie decennia reageerden op een opwarmende omgeving. Gedurende deze periode steeg de gemiddelde temperatuur in Kiruna met ongeveer 1,7°C.

Versnelde voortplantingscycli

De bevindingen laten een opvallende trend zien: de timing van het vrijkomen van sporen verschuift eerder in het jaar. De onderzoekers merkten tegen het einde van de onderzoeksperiode een aantal belangrijke veranderingen op:

  • Eerdere start: De meeste bryofytengroepen begonnen hun sporulatieseizoen gemiddeld vier weken eerder dan in voorgaande decennia.
  • Verschuivende middelpunten: Het midden van het voortplantingsseizoen is met vier tot zeven weken vooruitgegaan.
  • Verlengde seizoenen: Hoewel de startdata eerder verschoven, varieerden de einddata per soort, waarbij sommige taxa aanzienlijk langere reproductieve perioden kenden.

Waarom gebeurt dit?

De verschuiving wordt waarschijnlijk veroorzaakt door een combinatie van thermische en hydrologische factoren. Door hogere temperaturen kunnen planten zich uitgebreider ontwikkelen vóór de winterslaap, waardoor ze in de lente een “voorsprong” krijgen. Bovendien leiden warmere bronnen tot een snellere smelting van de sneeuw en minder sneeuwbedekking, waardoor de vegetatie eerder wordt blootgesteld en de wind de sporen sneller kan verspreiden.

Bryophyten versus vaatplanten

Misschien wel de belangrijkste conclusie is de snelheid van deze aanpassing. Terwijl eerdere studies hebben aangetoond dat vaatplanten (zoals bloeiende planten en bomen) in de Arctische gebieden hun bloei met ongeveer twee dagen per decennium bevorderen, bewegen bryofyten zich veel sneller.

Uit de gegevens blijkt dat de sporulatie van bryofyten met ongeveer acht dagen per decennium toeneemt. Dit suggereert dat niet-vaatplanten gevoeliger kunnen zijn voor – of sneller reageren op – het veranderende klimaat in het hoge noorden.

Deze snelle verschuiving in de fenologie (de timing van biologische gebeurtenissen) benadrukt hoe gevoelig Arctische ecosystemen zijn voor zelfs kleine temperatuurschommelingen.

Conclusie

De studie toont aan dat bryofyten snelle reproductieve verschuivingen ondergaan, waardoor hun levenscycli veel sneller verlopen dan veel vaatplanten. Deze versnelling dient als een kritische indicator van hoe de klimaatverandering de timing van het leven in Arctische ecosystemen fundamenteel reorganiseert.